This is not the document you are looking for? Use the search form below to find more!

Report home > Novel

De Kleine Janannes PDF

0.00 (0 votes)
Document Description
De, Kleine, Johannes
File Details
Submitter
  • Name: Acta est fabula
Embed Code:

Add New Comment




Related Documents

De kleine Johannes

by: Acta est fabula, 59 pages

De kleine Johannes

Crónicas de Kleine Brogel

by: Joao Alves, 62 pages

Crónicas sobre um ano de vida em Kleine Brogel, Bélgica, durante o curso de conversão em F-16 MLU

Aspectos básicos en la calidad de las aguas.pdf

by: incoquim, 3 pages

Principos básicos para evaluar la calidad de un agua.

Logiciel de gestion commerciale

by: etudiauploadinfileservices, 101 pages

Logiciel de gestion commerciale Logiciel de gestion commerciale.pdf

Aov vergelijken

by: aovvergelijken, 4 pages

De scherpste AOV van Nederland! Of u een zzp-er, dga, freelancer, of een andere zelfstandig ondernemer bent ... wij hebben voor elke soort ondernemer een AOV verzekering met de beste prijs / ...

Prueba de alojamiento Pdf online

by: Bani, 1 pages

Esta es una simple prueba de alojamiento online de PDF gratuito, gracias

Oaxaca: Más allá de la insurrección. Crónica de un movimiento de movimientos (2006-2007) pdf

by: Oxaca, 242 pages

Oaxaca: Más allá de la insurrección. Crónica de un movimiento de movimientos (2006-2007) pdf

Lista De Ternados Pdf

by: william, 4 pages

Lista De Ternados Pdf

el desarrollo de herramientas colaborativas de aprendizaje en entornos virtuales.pdf

by: educador23013, 24 pages

Estudio de las ventajas y desventajas de la aplicación de herramientas colaborativas de aprendizaje en entornosvirtuales.

gestion de proyecto

by: julio, 25 pages

pdf de gestion de proyecto

Content Preview




DE KLEINE JOHANNES (1886)


FREDERIK VAN EEDEN (1860-1932)




































Aan mijn vrouw

I


Ik zal je iets over de kleine Johannes vertellen. Het lijkt veel op een sprookje, mijn
verhaal, maar het is toch allemaal echt zo gebeurd.
Zodra je het niet meer gelooft, moet je niet verder lezen, want dan schrijf ik niet voor jou. Ook
mag je er nooit met de kleine Johannes over praten, als je hem soms tegen zou komen, want
dat zou hem verdriet doen en dan zou ik er spijt van hebben, dat ik je dit allemaal verteld
heb.

Johannes woonde in een oud huis met een grote tuin. Je kon er moeilijk de weg te vinden,
want in het huis waren veel donkere overloopjes, trappen, kamertjes en grote
rommelzolders, en in de tuin waren overal schuttingen en broeikassen. Het was een hele
wereld voor Johannes. Hij kon er verre tochten in maken en hij gaf namen aan alles wat hij
ontdekte.


Voor het huis had hij namen uit het dierenrijk: de rupsenzolder, omdat hij er rupsen groot
bracht; het kippenkamertje, omdat hij daar ooit een kip gevonden had. Die was er niet
vanzelf gekomen, maar daar door Johannes' moeder neergezet om te broeden. In de tuin
koos hij namen uit het plantenrijk, en lette daarbij vooral op de voortbrengsels, die voor hem
van belang waren. Zo onderscheidde hij een frambozenberg, een peertjesbos en een
aardbeiëndal. Helemaal achter was een plekje, dat hij het paradijs noemde en daar was het
natuurlijk heel heerlijk. Daar was een groot water, een vijver, waar witte waterlelies in dreven
en het riet lange fluisterende gesprekken hield met de wind. Aan de overkant lagen de
duinen. Het paradijs zelf was een klein grasveldje aan deze oever, omringd door
kreupelhout, waartussen het nachtegaalskruid hoog opschoot. Daar lag Johannes vaak in
het dichte gras en tuurde tussen de schuifelende rietbladen door over het water naar de
duintoppen. Op warme zomeravonden was hij daar altijd en lag uren te staren, zonder zich
ooit te vervelen. Hij dacht aan de diepte van het stille, heldere water voor zich, hoe gezellig
het daar moest zijn, tussen die waterplanten, in dat vreemde schemerlicht, en dan weer aan

de verre, prachtig gekleurde wolken, die boven de duinen zweefden, en wat daar wel achter
zou zijn en of het heerlijk zou zijn daarheen te kunnen vliegen.
Als de zon juist was ondergegaan, stapelden de wolken zich daar zó op elkaar, dat ze de
ingang van een grot leken te vormen en in de diepte van die grot schitterde het dan van een
zachtrood licht. Dat was wat Johannes zou willen. Kon ik daar maar in vliegen! dacht hij dan.
Wat zou daar wel achter zijn? Zou ik daar ooit, ooit kunnen komen? ...

Maar hoe vaak hij dat ook wenste, telkens viel de grot in vale, donkere wolkjes uit elkaar,
zonder dat hij er dichterbij kon komen. Dan werd het koud en vochtig aan de vijver en moest
hij weer zijn donkere slaapkamertje in het oude huis gaan opzoeken.
Hij woonde daar niet helemaal alleen; hij had een vader, die hem goed verzorgde, een hond
die Presto en een kat die Simon heette. Natuurlijk hield hij van zijn vader het meest, maar
Presto en Simon achtte hij absoluut niet zoveel beneden hem, zoals een groot mens dat zou
doen.
Hij vertrouwde zelfs meer geheimen aan Presto toe dan aan zijn vader, en voor Simon
voelde hij een eerbiedig ontzag. Nou, dat was geen wonder!
Simon was een grote kat met een glanzig zwart vel en een dikke staart. Je kon aan hem
zien, dat hij volkomen overtuigd was van zijn eigen grootheid en wijsheid. Hij bleef altijd even
deftig en voornaam, zelfs als hij zich verwaardigde even met een rollende kurk te spelen, of
achter een boom een vergeten haringkop op te kauwen. Bij de dolle baldadigheid van Presto
kneep hij minachtend de groene ogen dicht en dacht: Nou ja! Die honden weten niet beter.

Begrijp je nu, dat Johannes respect voor hem had? Met de kleine bruine Presto ging hij
heel vertrouwelijk om. Het was geen mooi of statig, maar een bijzonder goeiig en slim
hondje, dat nooit meer dan twee passen van Johannes weg te krijgen was en geduldig zat te
luisteren naar de mededelingen van zijn meester. Ik hoef je niet te zeggen, hoeveel
Johannes van Presto hield. Maar hij had toch ook heel wat ruimte in zijn hart voor anderen
over. Vind je het vreemd, dat zijn donker slaapkamertje met de kleine ruitjes daar ook een
grote plaats innam? Hij hield van het behang met de grote bloemfiguren, waarin hij gezichten
zag en waar hij de vormen zo vaak van bestudeerd had, als hij ziek was of 's morgens
wakker lag, hij hield van dat ene schilderijtje dat er hing, waarop stijve wandelaars waren
afgebeeld, die in een nog stijvere tuin wandelden langs gladde vijvers, waarin hemelhoge
fonteinen spoten en sierlijke zwanen zwommen; — maar het meest hield hij van de
hangklok. Hij wond die altijd met zorg en aandacht op en hield het voor een noodzakelijke
beleefdheid naar haar te kijken als zij sloeg. Dat ging natuurlijk alleen zolang Johannes niet
sliep. Was de klok door een nalatigheid stil blijven staan, dan voelde Johannes zich erg
schuldig en vroeg haar duizendmaal om vergeving. Je zou misschien lachen, als je hem met
zijn kamer in gesprek zou horen. Maar let nou eens op hoe vaak je zelf in jezelf praat. Dat
vind je helemaal niet belachelijk. Johannes was er bovendien van overtuigd, dat zijn
toehoorders hem volmaakt begrepen en had geen antwoord nodig. Maar stiekem verwachtte
hij toch wel eens een antwoord van de klok of van het behang.

Schoolvrienden had Johannes wel, maar vrienden waren het eigenlijk niet. Hij speelde
met hen en smeedde complotten op school en vormde roversbenden met hen buiten, maar
hij voelde zich pas echt thuis als hij alleen met Presto was. Dan verlangde hij nooit naar de
jongens, en voelde zich volkomen vrij en veilig.

Zijn vader was een wijze en ernstige man, die Johannes vaak meenam op lange tochten
door wouden en duinen; dan praatten ze weinig en Johannes liep tien passen achter zijn
vader, de bloemen groetend, die hij tegenkwam en de oude bomen, die altijd maar op
dezelfde plaats moesten blijven, vriendelijk met zijn handje langs de ruwe schors strijkend.
En ruisend de goedige reuzen bedankten hem dan.

Soms schreef zijn vader tijdens het lopen letters in het zand, één voor één, en Johannes
spelde dan de woorden, die zij vormden en soms ook stond de vader stil en leerde Johannes
de naam van een plant of dier.

En Johannes vroeg ook vaak, want hij zag en hoorde veel raadselachtigs. Vaak stelde hij
domme vragen; hij vroeg waarom de wereld was zoals zij was, en waarom dieren en planten
dood moesten gaan, en of er wonderen konden gebeuren. Maar Johannes' vader was een
wijze man en zei niet alles wat hij wist. Dat was goed voor Johannes.


's Avonds voordat hij ging slapen, bad Johannes altijd een lang gebed. Dat had het
kindermeisje hem zo geleerd. Hij bad voor zijn vader en voor Presto. Simon had het niet
nodig, dacht hij. Hij bad ook heel lang voor zichzelf en het slot was meestal de wens, dat er
toch ooit een wonder zou mogen gebeuren. En als hij amen gezegd had, keek hij gespannen
in het half donkere kamertje rond, naar de figuren op het behang, die in het zwakke
schemerlicht nog geheimzinniger leken, naar de deurknop en naar de klok, waar het wonder
nu zou beginnen. Maar de klok bleef altijd hetzelfde wijsje tikken en de deurknop bewoog
zich niet, het werd helemaal donker en Johannes viel in slaap, zonder dat het wonder
gekomen was.

Maar eens zou het gebeuren, dat wist hij.

II



Het was warm bij de vijver en doodstil. De zon, rood en moe van haar dagelijks werk, leek
een ogenblik op een verre duinrand uit te rusten, vóór ze onderdook. Bijna volmaakt
weerspiegelde het gladde water haar gloeiend gezicht. De over de vijver hangende bladeren
van de beuk maakten van de stilte gebruik om zich eens aandachtig in de spiegel te
bekijken. De eenzame reiger, die op één poot tussen de brede bladen van de waterlelie
stond, vergat dat hij erop uitgegaan was om kikkers te vangen en tuurde in gedachten
verzonken langs zijn neus.

Daar kwam Johannes het grasveldje op, om de wolkengrot te zien. Plomp! plomp!
sprongen de kikkers van de kant. De spiegel trok rimpels, het beeld van de zon brak in brede
strepen uit elkaar en de beukenbladeren ritselden verstoord, want zij waren nog niet klaar
met hun beschouwen.

Vastgebonden aan de naakte wortels van de beuk lag een oude kleine boot. Het was
Johannes ten strengste verboden daarin te gaan. O, wat was op deze avond de verleiding
sterk! De wolken vormden zich al tot een ontzaglijke poort, waarachter de zon te ruste zou
gaan. Schitterende rijen wolkjes schaarden zich daarnaast als een goudgeharnaste lijfwacht.
Het watervlak gloeide mee, en rode vonken vlogen als pijlen door het oeverriet.

Langzaam maakte Johannes het touw van de boot van de beukenwortels los. Wat zou het
heerlijk zijn midden in die pracht te drijven! Presto was al in de boot gesprongen en nog vóór
zijn baasje het zelf wilde, schoven de riethalmen uit elkaar en dreven zij beiden weg in de
richting van de avondzon. Johannes lag op de voorsteven en staarde in de diepte van de
lichtgrot. — Vleugels! dacht hij, nu vleugels! en dan daarheen!

De zon was verdwenen. De wolken gloeiden verder. In het oosten was de hemel
donkerblauw. Daar stond een rij wilgen langs de oever. Roerloos staken zij hun smalle witte
blaadjes in de stille lucht. Tegen de donkere achtergrond leek dat wel prachtig bleekgroen
kantwerk.

Stil! wat was dat? Het schoot als een suizelen over het watervlak, — als een lichte
windvlaag, die een spitse ploegsnede in het water groeft. Het kwam vanaf de duinen, vanaf
de wolkengrot.

Toen Johannes omkeek, zat een grote blauwe waterjuffer op de rand van de boot. Zo
groot had hij er nog nooit een gezien. Zij zat stil, maar haar vleugels bleven in een wijde
cirkel trillen. Het leek voor Johannes, alsof de punten van haar vleugels een lichtende ring
vormden.

Dat moet een vuurvlinder zijn, dacht hij, die zijn heel zeldzaam.

Maar de ring werd groter en groter en de vleugels trilden zo snel, dat Johannes niet meer
dan een nevel zag. En langzamerhand zag hij vanuit die nevel twee donkere ogen schitteren,
en een lichte, ranke gestalte, in een teerblauw kleedje, zat op de plaats van de libel. In het
blonde haar was een krans van witte winde en aan de schouders zaten gazen vleugels, die
als een zeepbel in duizend kleuren schitterden.

Een huivering van geluk doortintelde Johannes. Dát was een wonder!

“Wil je mijn vriend zijn?” fluisterde hij.


Dat was wel een rare manier om een vreemde aan te spreken, — maar het ging er hier
niet gewoon aan toe. En hij had een gevoel, alsof hij het vreemde, blauwe wezen al lang
kende.

“Ja Johannes!” hoorde hij en de stem klonk als het schuifelen van het riet in de avondwind
of het ruisen van de regen op de bladeren in het bos.

“Hoe moet ik je noemen?” vroeg Johannes.

“Ik ben geboren in de kelk van een winde. Noem mij maar Windekind!”

En Windekind lachte en staarde Johannes zo vertrouwelijk in de ogen, dat het hem
wonderbaarlijk zalig te moede werd.

“Het is vandaag mijn verjaardag,” zei Windekind, “ik ben hier in de omtrek geboren, uit de
eerste stralen van de maan en de laatste van de zon. Ze zeggen wel dat de zon vrouwelijk
is. Dat is niet waar. Hij is mijn vader.”

Johannes nam zich voor, morgen op school over de zon te praten.

“En kijk! daar komt het ronde, blanke gezicht van mijn moeder al te voorschijn. Dag
moeder! O, o, wat kijkt ze weer goedhartig en somber!”

Hij wees naar de Oosterkimmen. Groot en glanzig rees toie de maan aan de grauwe
hemel, achter het kantwerk van de wilgen, dat zwart tegen de lichte schijf afstak. Zij zette
echt een heel pijnlijk gezicht.

“Kom! kom! moeder! het is niets. Ik kan hem toch vertrouwen!”

Het fraaie wezen trilde vrolijk met de gazen vleugels en tikte Johannes met de Irisbloem,
die hij in de hand had, op de wang.

“Zij vindt het niet goed dat ik bij jou gekomen ben. Jij bent de eerste. Maar ik vertrouw je,
Johannes. Je mag nooit, nooit aan een mens mijn naam noemen of over mij praten. Beloof je
dat?”

“Ja, Windekind,” zei Johannes. Het was nog zo vreemd voor hem. Hij voelde zich
onuitsprekelijk gelukkig maar was bang zijn geluk te verliezen. Droomde hij? — Naast hem
op de bank lag Presto rustig te slapen. De warme adem van zijn hondje stelde hem gerust.
De muggen krioelden op het wateroppervlak en dansten in de zwoele lucht, net als altijd. Het
was allemaal zo helder en duidelijk om hem heen. Het moest wel waar zijn. En steeds voelde
hij dat Windekinds vertrouwelijke blik op hem rustte.
Toen klonk weer de zoet-ruisende stem:

“Ik heb je vaak hier gezien, Johannes. Weet je waar ik was? — Soms zat ik op de
zandgrond van de vijver tussen de dichte waterplanten en keek naar je omhoog, als je over
het water heen boog, om te drinken of om de watertorren en salamanders te bekijken. Maar
mijzelf heb je nooit gezien. Vaak ook keek ik naar je vanuit het dichte riet. Daar ben ik heel
vaak. Daar slaap ik meestal, als het warm is. In een leeg karkietennest. Ja! dat is heel
zacht.”

Windekind wiegde vergenoegd op de rand van de boot en sloeg met zijn bloem naar de
muggen.

“Nu kom ik je wat gezelschap houden. Het is anders zo eentonig, jouw leven. Wij zullen
goede vrienden zijn en ik zal je veel vertellen. Veel betere dingen dan de schoolmeesters je
wijsmaken. Die weten er absoluut niets van. En als jij mij niet gelooft, zal ik je het zelf laten
zien en horen. Ik zal je meenemen.”

“O, Windekind! lieve Windekind! kun je mij daarheen meenemen?” riep Johannes, en
wees naar de kant, waar net nog het purperen licht van de ondergaande zon uit de gouden
wolkenpoort gestraald had. Maar het stralende gevaarte ging al in grijze nevelen vervloeien.
Toch drong de bleekrode glans nog uit de verste diepte te voorschijn.

Windekind staarde in het licht, dat zijn fijne gezichtje en zijn blonde haren verguldde, en
schudde zachtjes het hoofd.

“Nu niet! — nu niet! Johannes. Je moet niet meteen teveel vragen. Ik ben zelf nog nooit bij
Vader geweest.”

“Ik ben altijd bij mijn vader,” zei Johannes.

“Nee! dat is je vader niet. Wij zijn broers, mijn Vader is ook de jouwe. Maar je moeder is
de aarde en daarom verschillen wij veel van elkaar. Ook ben je in een huis bij mensen

geboren en ik in een windekelk. Dat laatste is vast beter. Maar wij zullen het toch goed
samen kunnen vinden!”

Toen sprong Windekind lichtjes op de zijkant van de boot, die niet bewoog onder die last,
en kuste Johannes op het voorhoofd.

Wat was dat een vreemde gewaarwording voor Johannes! Het was of alles om hem heen
veranderde.

Hij zag alles nu veel beter en juister, dacht hij. Hij zag hoe de maan nu veel vriendelijker
keek, — en hij zag, dat de waterlelies gezichten hadden, waarmee zij hem verwonderd en
peinzend aanstaarden.

Hij begreep nu opeens, waarom de muggen zo vrolijk op en neer dansten, altijd om elkaar
heen, op en neer, tot ze met hun lange benen het water raakten. Hij had er wel eens over
nagedacht, maar nu begreep hij het vanzelf.

Hij hoorde ook wat het riet fluisterde en hoe de bomen aan de oever er zachtjes over
klaagden, dat de zon was ondergegaan.

“O, Windekind! ik dank je, dat is heerlijk. Ja, wij zullen het vast goed samen kunnen
vinden!”

“Geef mij een hand,” zei Windekind, en sloeg de veelkleurige vleugels uit. Toen trok hij
Johannes in de boot voort over het water, door de plompeblaren, die in het maanlicht
glinsterden.

Hier en daar zat een kikker op een blad. Maar nu sprong hij niet in 't water als Johannes
kwam. Hij maakte alleen een kleine buiging en zei: “Kwak!” Johannes boog beleefd terug, —
hij wilde zich vooral niet verwaand tonen.

Toen kwamen zij bij het riet, dat was breed en de hele boot verdween er in, zonder dat zij
het land bereikten. Maar Johannes pakte zijn begeleider stevig vast en toen klauterden zij,
tussen de hoge halmen door, aan land.

Johannes dacht wel, dat hij kleiner en lichter was geworden, maar dat was misschien
verbeelding. Toch herinnerde hij zich niet dat hij ooit tegen een riethalm had kunnen
opklimmen.

“Let nu goed op,” zei Windekind, “nu zult je iets leuks zien.”

Zij wandelden tussen het hoge gras onder donker kreupelhout door, dat hier en daar een
smal, glanzig straaltje van het maanlicht doorliet.
“Heb je 's avonds de krekels wel eens gehoord, Johannes, in de duinen? — Het lijkt of zij
een concert maken nietwaar? en je kunt nooit horen, waar het geluid vandaan komt. Nou, zij
zingen nooit voor hun plezier, maar dat geluid komt uit de krekelschool, waar honderd
krekeltjes hun lessen van buiten leren. Wees nu stil, want wij zijn er bijna.”

Shrrr! Shrrr!

Het kreupelhout werd minder dicht, en toen Windekind met zijn bloem de grashalmen uit
elkaar schoof, zag Johannes een helder verlicht open plekje, waar de krekeltjes bezig waren
tussen het dunne, spichtige duingras hun lessen te leren.

Shrrr! Shrrr!

Een grote, dikke krekel was meester en overhoorde hen. Eén voor één sprongen de
leerlingen naar hem toe, altijd met één sprong heen en één sprong weer naar hun plaats
terug. Wie mis sprong moest op een paddestoel te kijk staan.

“Luister goed Johannes! dan kun je misschien óók wat leren,” zei Windekind.

Johannes verstond heel goed wat de krekeltjes antwoordden. Maar het leek in niets op
wat de meester op zijn school vertelde. Eerst kwam aardrijkskunde. Van de werelddelen
wisten zij niets. Zij moesten alleen 26 duinen kennen en twee vijvers. Van wat er verder was
kon niemand iets weten, zei de meester, en wat erover verteld werd, was hoogmoedige
fantasie.

Toen kwam de plantkunde aan de beurt. Daarin waren ze allemaal erg knap en er werden
veel prijzen uitgedeeld, uitgezochte jonge en malse grashalmpjes van verschillende lengte.

Maar de dierkunde verbaasde Johannes het meest. De dieren werden verdeeld in
springende, vliegende en kruipende. De krekels konden springen en vliegen en stonden dus
bovenaan, dan volgden de kikkers. Vogels werden met alle tekenen van afschuw hoogst
schadelijk en gevaarlijk genoemd. Eindelijk werd ook de mens besproken. Het was een

groot, nutteloos en schadelijk dier, dat zeer laag stond, omdat het vliegen noch springen kon,
maar dat gelukkig zeldzaam was. Een klein krekeltje, dat nog nooit een mens gezien had,
kreeg drie klappen met een rietje, omdat hij de mens per ongeluk tot de onschadelijke dieren
rekende.

Zoiets had Johannes nog nooit gehoord.

Toen riep de meester opeens: “Stilte! springoefening!” Onmiddellijk hielden alle krekeltjes
op met het leren van hun lessen en begonnen op een heel kunstige en ijverige manier
haasje-over te spelen. De dikke meester het eerst.

Dat was zo´n vrolijk gezicht, dat Johannes in de handen klapte van plezier. Op dat geluid
stoof de hele school in een oogwenk het duin in en werd het doodstil op het grasveldje.

“Ja, dat komt er van, Johannes. Je moet je niet zo lomp gedragen! Je kan toch wel
merken, dat jij bij de mensen geboren bent!”

“Het spijt me, ik zal mijn best doen. Maar het was ook zo leuk!”

“Het wordt nog veel leuker,” zei Windekind.

Zij staken het grasveldje over en beklommen het duin aan de andere kant. Oef! dat was
zwoegen in het dikke zand; — maar toen Johannes Windekind bij het lichte blauwe kleedje
vastgreep, vloog hij er vlug en licht tegen op. Halverwege de top was een konijnenhol.

Het konijntje, dat er thuishoorde, lag met kop en voorpoten uit de ingang. De duinrozen
bloeiden nog en hun fijne, zachte geur mengde zich met die van het tijmkruid, dat op de
duintop groeide.

Johannes had vaak konijntjes in hun hol zien verdwijnen en dan gedacht: hoe zou het er
daarbinnen uitzien? Hoeveel zouden er daar wel bij elkaar zitten en zouden zij het niet
benauwd hebben?

Hij was dan ook heel blij, toen hij zijn metgezel aan het konijntje hoorde vragen of zij het
hol eens mochten bekijken. “Wat mij betreft, wel!” zei het konijntje. “Maar het komt
ongelukkig uit, dat ik vanavond net mijn hol heb afgestaan voor het geven van een
weldadigheidsfeest, en dus eigenlijk geen baas ben in mijn huis.”

“Ei! Ei! is er een ongeluk gebeurd?”

“Ach ja!” zei het konijntje verdrietig: “Een grote ramp! — Wij komen het in geen jaren te
boven. Duizend sprongen hier vandaan is een mensenhuis gebouwd, zo groot! zo groot! —
En er zijn mensen komen wonen met honden. Er zijn wel zeven leden van mijn familie bij
omgekomen en nog drie keer zoveel van hun hol beroofd. En het is met de familie Muis en
de familie Mol nog erger gegaan. Ook de Padden hebben zwaar geleden. — Nu hebben wij
een feest op touw gezet voor de nagelaten betrekkingen. Ieder doet het zijne, ik geef mijn
hol. Je moet wat over hebben voor je mede-schepselen.”

Het verdrietige konijntje zuchtte en haalde met de rechter voorpoot het lange oor over zijn
kopje, om er een traan mee uit het oog te vegen. Dat was zo zijn zakdoek.

Toen ritselde er iets in het helm en een dikke, logge gedaante kwam op het hol toe
scharrelen.

“Kijk!” riep Windekind, “daar komt vader Pad ook al aangehuppeld. Wel! wel! durf je nog
zo laat op pad, Pad!”

De Pad nam geen notitie van het grapje. Toespelingen op zijn naam verveelden hem al
lang. Bedaard legde hij een volle korenaar, netjes in een droog blad gewikkeld, bij de ingang
neer en klom behendig over de rug van het konijntje het hol in.

“Mogen wij naar binnen gaan?” zei Johannes, die erg nieuwsgierig was. “Ik zal ook wat
geven.”

Hij herinnerde zich dat hij in zijn zak nog een beschuitje had. Een rond beschuitje van
Huntley en Palmers. Toen hij het te voorschijn haalde, merkte hij pas hoe klein hij geworden
was. Hij kon het nauwelijks met twee handen optillen en begreep niet hoe het nog in zijn
broekzak gepast had.

“Dat is heel kostbaar en zeldzaam!” riep het konijntje. “Dat is een kostbaar geschenk!”

Eerbiedig liet het aan beiden de toegang open. Het was donker in het hol en Johannes liet
Windekind maar vóórgaan. Al snel zagen zij een bleekgroen lichtje naderen. Het was een
glimworm, die welwillend aanbood hen voor te lichten.


“Het belooft een gezellige avond te worden,” zei de glimworm onder ‘t voortgaan. “Er zijn
al veel gasten. Jullie zijn elfen lijkt me, — niet waar?” De glimworm keek daarbij een beetje
wantrouwend naar Johannes.

“Je kunt ons als elfen aandienen,” antwoordde Windekind.
“Weet je dat jullie koning van de partij is?” ging de glimworm verder.

“Is Oberon hier? Nou, dat doet mij echt veel genoegen,” riep Windekind, — “ik ken hem
persoonlijk.”

“O?” zei de glimworm, — “ik wist niet dat ik de eer had ...” en zijn lichtje ging bijna uit van
schrik. “Ja Z.M. houdt gewoonlijk meer van de buitenlucht, maar voor een liefdadig doel is hij
altijd te vinden. Het zal wel een schitterend feest zijn.”

Dat was het inderdaad. De grote zaal in het konijnenhol was prachtig versierd. De vloer
was platgetrapt en met geurige tijm bestrooid; — dwars voor de ingang hing een vleermuis
aan de achterpoten. Deze riep de namen van de gasten af en diende tevens als gordijn, dat
was een zuinigheidsmaatregel. De wanden van de zaal waren smaakvol versierd met dorre
bladen, spinnen-webben en kleine hangende vleermuisjes. Talloze glimwormen kropen
daartussen en over de zoldering rond, en vormden een alleraardigste bewegende verlichting.
Er was aan 't eind van de zaal een troon gebouwd van stukjes vermolmd hout, die licht
gaven. Dat was een mooi gezicht!

Er waren veel gasten. Johannes voelde zich maar half thuis in de vreemde menigte en
drong zich dicht tegen Windekind aan. Hij zag er vreemde dingen. Een mol sprak druk met
een veldmuis over de mooie verlichting en de versiering. In een hoekje zaten twee dikke
padden hoofdschuddend tegen elkaar te jammeren over het aanhoudend droge weer. Een
kikker probeerde gearmd met een hagedis een wandeling door de zaal te maken, — wat
hem slecht afging, omdat hij verlegen en gejaagd was en telkens te ver sprong, waarbij hij
soms de wandversiering flink in de war bracht.

Op de troon zat Oberon, de elfenkoning, omringd door een klein gevolg van elfen, die
nogal minachtend op de omgeving neerkeken. De koning zelf was zoals een vorst betaamt
allerbeminnelijkst en onderhield zich vriendelijk met verschillende gasten. Hij kwam net terug
van een reis uit het Oosten — en had een uitheems gewaad van schitterend gekleurde
bloembladen aan. Zo´n bloemen groeien hier niet, dacht Johannes. Op het hoofd droeg hij
een donkerblauw bloemkelkje, dat nog een frisse geur verspreidde, alsof het net geplukt
was. In de hand hield hij de meeldraad van een lotusbloem als koningsstaf.

Alle aanwezigen waren vol stille lof over zijn goedheid. Hij had het maanlicht in de duinen
geprezen en gezegd dat de glimwormen hier bijna even mooi waren als de Oosterse
vuurvliegen. Ook had hij met plezier naar de wandversiering gekeken en een mol had zelfs
opgemerkt, dat hij goedkeurend met het hoofd had geknikt.

“Ga mee,” zei Windekind tegen Johannes, “ik zal je voorstellen.” En zij drongen tot aan de
zitplaats van de koning door.

Oberon spreidde de armen vol vreugde uit, toen hij Windekind herkende en kuste hem. —
Dit gaf een gefluister onder de gasten en jaloerse blikken van het elfengevolg. De twee dikke
padden in de hoek mompelden samen iets van 'vleiers' en 'kruipen' en 'niet lang duren'; toen
knikten ze elkaar veelbetekenend toe.

Windekind sprak lang in een vreemde taal met Oberon en wenkte toen Johannes om
dichterbij te komen.

“Geef mij de hand, Johannes!” zei de koning. “Windekinds vrienden zijn de mijne. Waar ik
kan, zal ik je helpen. Ik zal je een teken van ons verbond geven.”

Oberon maakte van zijn halsketen een klein gouden sleuteltje los en gaf dat aan
Johannes, die het vol eerbied aannam en vast in zijn hand sloot.

“Dat sleuteltje kan je geluk zijn,” ging de koning verder. “Het past op een gouden kistje dat
kostbare schatten bevat. Maar wie dat heeft, kan ik je niet zeggen. Je moet maar ijverig
zoeken. Als je goede vrienden met mij en Windekind blijft en volhardend en trouw bent, zal
het je wel lukken.” De elfenkoning knikte daarbij hartelijk met het mooie hoofdje en
overgelukkig bedankte Johannes hem.

Toen begonnen drie kikkers, op een kleine verhoging van vochtig mos gezeten, de
inleiding tot een langzame wals te zingen en er vormden zich paartjes. De niet dansenden

werden door een groen hagedisje, dat als ceremoniemeester werkzaam was en schutterig
heen en weer vloog, naar de kant geduwd, tot grote ergernis van de twee padden, die
klaagden dat zij niets konden zien, — en daarna begon de dans.

Dat was pas grappig. Ieder danste op zijn eigen manier en verbeeldde zich natuurlijk, dat
hij het veel beter deed dan de anderen. De muizen en kikkers sprongen hoog op hun
achterste poten, een oude rat draaide zo woest rond, dat alle dansers voor hem opzij weken,
en ook een vette boomslak waagde een rondje met een mol, maar gaf het al snel op, onder
het mom dat ze er een steek van in de zij kreeg, — de echte reden was, dat ze het niet zo
goed kon.

Het ging er echter zeer ernstig en plechtig aan toe. Ze maakten er een gewetenszaak
van, en gluurden benauwd naar de koning om een teken van goedkeuring op zijn gezicht te
zien. Maar de koning was bang om ontevredenen te maken en keek heel strak. Zijn gevolg
achtte het beneden hun danskunst om mee te doen.

Johannes had zich bij die ernst lang goed gehouden. Maar toen hij een klein padje zag
rondzwieren met een lange hagedis, die het ongelukkige padje soms hoog boven de grond
tilde en een halve cirkel in de lucht liet beschrijven, barstte zijn vrolijkheid in een schaterlach
uit.

Dat gaf opschudding. De muziek zweeg. De koning keek verstoord om. De
ceremoniemeester vloog in volle vaart op de lacher toe en verzocht hem dringend zich wat
gepaster te gedragen.

“Dansen is een ernstige zaak,” zei hij, “en volstrekt geen bezigheid om uit te lachen. Het is
hier een deftig gezelschap, waar ze niet zo maar voor de grap dansen. Iedereen deed zijn
best en niemand wilde uitgelachen worden. Dat is onbeschoft. Ze zijn hier bovendien op een
treurfeest om droevige redenen. Je moet je hier fatsoenlijk gedragen en niet doen, alsof je bij
mensen bent!”

Daar schrok Johannes van. Overal zag hij vijandige blikken. Zijn vertrouwelijkheid met de
koning had hem veel vijanden bezorgd.

Windekind trok hem naar zijkant:

“Het is maar beter, dat wij weggaan, Johannes!” fluisterde hij, “je hebt het weer verknoeid.
Ja! Ja! dat komt er van, als je bij mensen bent opgevoed!”

Haastig glipten zij onder de vleugels van de vleermuisportier door en kwamen in de
donkere gang. De beleefde glimworm wachtte hen op.

“Hebben jullie je goed geamuseerd?” vroeg hij. “Hebben jullie koning Oberon gesproken!”

“O ja! het was een vrolijk feest,” zei Johannes, “moet jij hier altijd in de donkere gang
blijven?”

“Dat is mijn eigen vrije keuze,” zei de glimworm op een droeve en bittere toon. “Ik hou niet
meer van die ijdelheden.”

“Kom,” zei Windekind, “dat meen je niet.”

“Het is zoals ik zeg. — Vroeger, — vroeger was er een tijd dat ik ook naar feesten ging en
danste en mij met zulke beuzelarijen ophield. Maar nu ben ik door het lijden gelouterd, nu ...”

En hij werd zo ontroerd, dat zijn lichtje weer uitging. Gelukkig waren zij dicht bij de uitgang
en het konijntje, dat hen hoorde aankomen, ging een stukje opzij, zodat het maanlicht naar
binnen scheen.

Zodra zij bij het konijntje buiten waren, zei Johannes:

“Vertel ons jouw verhaal eens, glimworm!”

“Ach!” zuchtte de glimworm, “dat is eenvoudig en droevig. Jullie zullen daar niet vrolijk van
worden.”

“Vertel ´t, vertel ´t toch maar,” riepen ze allemaal.

“Nou: — jullie weten dus toch allemaal wel, dat wij glimwormen zeer bijzondere wezens
zijn. — Ja, ik geloof dat niemand zou durven tegenspreken, dat wij glimwormen het hoogst
begaafd zijn van al wat leeft.”

“Waarom? dat weet ik niet,” zei het konijntje.

Minachtend vroeg de glimworm toen: “Kunt jij licht geven?”

“Nee! dat nou niet echt,” moest het konijntje toegeven.


“Nu, wij geven licht! Allemaal! En wij kunnen het laten schijnen of doven naar willekeur.
Licht is de beste gave van de natuur, en licht geven het hoogste, wat een levend wezen kan
bereiken. Zou iemand nog onze voorrang willen betwisten! Wij mannetjes hebben bovendien
vleugels en kunnen mijlenver vliegen.”

“Dat kan ik ook niet,” bekende het konijntje gewillig.

“Door de goddelijke gave van het licht, die wij hebben,” ging de glimworm verder, “ontzien
ook andere dieren ons, geen vogel zal ons aanvallen. Alleen één dier, het laagste van
allemaal, zoekt ons en neemt ons mee. Dat is de mens, het verfoeilijkst gedrocht van de
schepping.”

Johannes keek Windekind bij deze uitval aan, alsof hij het niet begreep. Maar Windekind
glimlachte en gaf hem een teken om te zwijgen.

“Op een keer vloog ik vrolijk rond, als een helder dwaallicht tussen de donkere heesters.
En op een eenzaam, vochtig grasveldje, aan de oever van een sloot, daar woonde zij, wier
bestaan onafscheidelijk met mijn geluk was verbonden. Prachtig schitterde zij met een bleke
smaragdglans, als zij tussen de glanshalmen rondkroop en heerlijk bekoorde zij mijn jonge
hart. Ik vloog om haar heen en deed mijn best door wisselen van glans haar aandacht te
trekken. Dankbaar zag ik, hoe zij mijn groet bespeurde en zedig haar lichtje verduisterde.
Sidderend van emotie stond ik op het punt mijn vleugels samen te vouwen en in verrukking
bij mijn stralende geliefde neer te zijgen, toen een ontzaglijk geluid de lucht vervulde.
Donkere gestalten naderden. Het waren mensen. Ik nam verschrikt de vlucht. — Zij joegen
mij na, en sloegen naar mij met grote, zwarte dingen. Maar sneller dan hun logge benen
droegen mijn vleugels mij.”

“Toen ik terug kwam ...”

Hier stokte de stem van de verteller. Pas na een ogenblik van stille ontroering, waarin de
drie toehoorders eerbiedig zwegen, — ging hij verder:

“Jullie kunnen het al vermoeden. Mijn tere bruid, — de glansrijkste en schitterendste van
allemaal, zij was verdwenen, meegesleept door de boosaardige mens. Het stille, vochtige
grasveldje was vertrapt en haar geliefde plekje aan de sloot was donker en leeg. Ik was
alleen op de wereld.”

Hier haalde het gevoelige konijntje opnieuw een oor naar beneden om een traan uit het
oog te vegen.

“Sinds die tijd ben ik veranderd. Ik walg van alle ijdele vermaken. Ik denk alleen aan haar,
die ik verloren heb en aan de tijd dat ik haar zal weerzien.”

“Zo! heb je daar nog hoop op?” vroeg het konijntje verheugd.

“Ik heb meer dan hoop, — ik heb zekerheid. Daarboven zal ik mijn geliefde weerzien.”

“Maar ...” wilde het konijntje inbrengen.

“Konijn!” zei de glimworm ernstig, “ik kan mij voorstellen, dat iemand, die in het duister
moet rondtasten, twijfelt. Maar wanneer je kan zien, met eigen ogen zien — dan is elke
onzekerheid mij een raadsel. Daar!” zei het glimwormpje en keek vol eerbied naar de van
sterren fonkelende hemel. “Daar zie ik ze! al mijn vaderen, al mijn vrienden en ook haar,
duidelijk stralen, in een nog heerlijker glans dan hier op aarde. Ach! wanneer zal ik mij uit dit
lage leven kunnen opheffen, en tot haar vliegen, die mij lonkend wenkt? Ach! wanneer?
wanneer?”

Zuchtend verliet het glimwormpje zijn toehoorders en kroop weer in het donkere hol.

“Arm schepsel!” zei het konijntje, “ik hoop dat hij gelijk heeft.”

“Ik hoop het ook,” voegde Johannes daar aan toe.

“Ik ben er bang voor,” zei Windekind, “maar het was heel aandoenlijk.”

“Lieve Windekind,” begon Johannes, “ik ben heel moe en heb slaap.”

“Kom dan naast mij liggen, ik zal je met mijn mantel toedekken.”

Windekind nam zijn blauwe manteltje en spreidde dat over Johannes en zichzelf uit. Zo
legden zij zich neer, in het geurige mos op de duinhelling, de armen om elkaars hals
geslagen.

“Jullie hoofden liggen wat laag,” riep het konijntje, “willen jullie die tegen mij aan laten
rusten?”

Dat deden zij.


“Nacht, moeder!” zei Windekind tegen de maan.

Toen sloot Johannes zijn gouden sleuteltje vast in de hand, vlijde zijn hoofd tegen het
donzige vel van het goeie konijntje en sliep rustig in.

III


Waar is hij dan, Presto? — Waar is het kleine baasje dan? — Wat een schrik, wakker te
worden in de boot, in het riet — helemaal alleen, de baas spoorloos verdwenen. Het was om
bang van te worden.

En loop je hem nu al zolang te zoeken, onder voortdurend zenuwachtig piepen? — Arme
Presto! — Hoe kon je ook zo vast slapen en niet merken dat de baas uit de boot ging?
Anders word je altijd meteen wakker, zodra hij ook maar één beweging maakt.

Nauwelijks kon je herkennen, waar de baas aan land was gegaan en hier in de duinen
ben je nu het spoor helemaal bijster geraakt. Het ijverig snuffelen hielp niet. Wat een
wanhoop! de baas weg! spoorloos weg! — Zoek dan Presto, zoek hem dan!

Wacht! daar recht voor je, tegen die duinhelling, — ligt daar niet een kleine donkere
gedaante? kijk eens goed!

Een ogenblik staat het hondje onbeweeglijk, en kijkt gespannen in de verte. Dan strekt het
opeens de kop vooruit en holt, vliegt met al de kracht van zijn vier dunne pootjes, naar dat
donkere plekje op de duinhelling.

Maar toen dat echt het zo smartelijk vermiste baasje bleek te zijn, toen vond hij alle
pogingen nog onvoldoende om zijn hele blijdschap en dankbaarheid uit te drukken. Hij
kwispelde, verdraaide zijn hele lijfje, sprong, jankte, blafte en duwde de lang gezochte zijn
koude neus likkend en snuffelend in “t gezicht.

“Koest, Presto, in je mand!” riep Johannes half slapend.

Wat dom van de baas! Er is geen mand in de buurt, zover je kan zien.

Langzaam begon de schemering te dagen in de ziel van de kleine slaper. Het snuffelen
van Presto, dat was hij iedere morgen zo gewend. Maar voor zijn geest hingen nog lichte
droombeelden van elfen en maneschijn, als morgennevels om een duinlandschap. Hij was
bang dat de kille adem van de ochtend die zou verjagen. “Ogen dichthouden,” dacht hij,
“anders zie ik de klok en het behang weer, zoals altijd!”

Maar hij lag raar. Hij voelde, dat hij geen deken had. — Langzaam en voorzichtig opende
hij de oogleden op een kier.

Helder licht. Blauwe hemel. Wolken.

Toen opende Johannes de ogen wagenwijd en zei: “Is het dan toch waar?”

Ja, hij lag midden in het duin. Vrolijke zonneschijn verwarmde hem, frisse morgenlucht
ademde hij in, een fijne nevel omgaf de bossen in de verte. Hij zag alleen de hoge beuk bij
de vijver en het dak van zijn huis, dat boven het groen uitstak. Bijen en kevers gonsden om
hem heen, boven hem zong de opstijgende leeuwerik, in de verte klonk hondengeblaf en het
gerucht van de afgelegen stad. Het was allemaal pure werkelijkheid.

Maar wat had hij gedroomd en wat niet? Waar was Windekind? en het konijntje?

Hij zag geen van beiden. Alleen Presto zat zo dicht mogelijk bij hem en keek hem
afwachtend aan.

“Zou ik aan ‘t slaapwandelen geweest zijn?” mompelde Johannes zacht.

Naast hem was een konijnenhol. Maar zo waren er zoveel in 't duin. Hij richtte zich op om
het goed te bekijken. Wat voelde hij daar in de nog dichtgeknepen hand?

Een tinteling liep van de kruin van zijn hoofd tot zijn voeten, toen hij de hand opende.
Daar schitterde een klein gouden sleuteltje.

Een tijd lang zat hij sprakeloos.

“Presto!” zei hij toen, terwijl de tranen hem in de ogen kwamen.
“Presto, het is tóch waar!”

Presto sprong op — en probeerde door blaffen zijn baasje aan ’t verstand te brengen, dat
hij honger had en naar huis wilde.

Naar huis? — Ja! daar had Johannes niet aan gedacht en hij had er weinig zin in. Maar al
gauw hoorde hij door verschillende stemmen zijn naam roepen. Toen begon hij te begrijpen,

Download
De Kleine Janannes PDF

 

 

Your download will begin in a moment.
If it doesn't, click here to try again.

Share De Kleine Janannes PDF to:

Insert your wordpress URL:

example:

http://myblog.wordpress.com/
or
http://myblog.com/

Share De Kleine Janannes PDF as:

From:

To:

Share De Kleine Janannes PDF.

Enter two words as shown below. If you cannot read the words, click the refresh icon.

loading

Share De Kleine Janannes PDF as:

Copy html code above and paste to your web page.

loading